Terrance Pieters over racisme in het hockey

19-6-2020 Vereniging

Terrance Pieters over racisme in het hockey: ‘Het is klaar nu, ik durf de confrontatie aan te gaan’ 

(Artikel met grote dank aan de Volkskrant,  Robèrt Misset 16 juni 2020 en even grote dank aan Klaas Jan van der Weij voor het gebruik van de foto.)


(Van de redactie: de zus van Terrance speelt in Hurley Dames 1)


‘Als mij in interviews werd gevraagd of ik racisme had meegemaakt, antwoordde ik ontkennend.’


Als eerste hockeyer van kleur in het Nederlandse team verbreekt Terrance Pieters het stilzwijgen over racisme in zijn sport. Dinsdag vertelt hij in het Wagener Stadion ook zijn teamgenoten over de pijn van kwetsende woorden en grappen.


Het blijft even stil na de vraag of hij zich geraakt voelt door de protesten tegen racisme. Hockeyinternational Terrance Pieters (23) aarzelt om te antwoorden en zegt dat praten over hoe hij werd geconfronteerd met racisme en discriminatie voelt als een coming out. ‘Ik heb het altijd weggedrukt, het racisme zelfs ontkend om de discussie uit de weg te gaan. Nu is het moment om me eindelijk uit te spreken.’


De zoon van een Surinaamse moeder en Indische vader praat voor het eerst over een onderwerp dat hij diep in zijn onderbewustzijn had geparkeerd. Als eerste donkere hockeyer in het Nederlandse team wilde Pieters (23) geen extra hindernis opwerpen. Nu voelt de vijftienvoudig international zich gesteund door de breed gedragen woede na de moord op de zwarte Amerikaan George Floyd. Pieters ziet hoe bekende voetballers als Memphis Depay en Denzel Dumfries opstaan, omdat ze geen racisme meer accepteren. Ze geven hem het laatste duwtje om een taboe te doorbreken.


Dinsdag staan de internationals in een kring in het Wagener Stadion, wanneer bondscoach Max Caldas de protesten tegen racisme benoemt en Pieters het woord geeft. De aanvaller van Kampong verbreekt het stilzwijgen tegenover de internationals. Om Terrance Pieters echt te leren kennen, moet je ook weten hoe diep zijn pijn zit. En dat hij sinds zijn jeugd een juk met zich meetorst dat niet langer onzichtbaar mag blijven.‘Ik heb de jongens verteld dat ik ook binnen het hockey racisme heb meegemaakt, ook in een groepsvorm als deze. En ze uitgelegd wat het met me doet en waarom ik het zo lang voor me heb gehouden.’


Als de selectie van het Nederlands heren hockeyteam voor de training in een kring staat, vertelt Terrance Pieters dat hij racistisch is bejegend. Daarmee doorbreekt Pieters het stilzwijgen over racisme binnen zijn sport.

Als kind ontdekte je al dat mensen anders naar je keken vanwege je huidskleur?

Pieters: ‘Racisme is moeilijk te begrijpen als je het nooit zelf hebt ervaren. De eerste keer zal ik nooit vergeten. Ik stond op het schoolplein, ik zat in groep 5 of 6. Om mijn fiets te pakken, moest ik die van een meisje wegzetten. Ik tilde die fiets opzij, toen ze zei: zwarte jongens mogen niet aan mijn fiets komen.


‘Mijn geboortestad Almere is multicultureel en divers. Toch werd ik al op de basisschool geregeld ‘aap’ of ‘Zwarte Piet’ genoemd. En dan helpt het ook niet mee dat mijn achternaam Pieters is. Die openlijke, racistische uitingen zijn al erg genoeg. Maar het verhulde, meer impliciete racisme is net zo pijnlijk.


‘Toen ik nog bij mijn ouders woonde, reed ik na trainingen en wedstrijden bij Almere op mijn scooter naar huis. Hoe vaak ik door agenten niet staande ben gehouden of gefouilleerd? Gingen ze checken of die scooter niet gestolen was. Of dat ik in mijn hockeytas misschien spullen had die ik had gepikt? Ik was verdacht met mijn hockeystick op een scooter.’


Ik denk niet dat Billy Bakker, de witte aanvoerder van het Nederlandse hockeyteam, vaak is aangehouden op zijn scooter.

‘Zo wil ik het niet benoemen. Maar meerdere, donkere jongens in mijn omgeving is het overkomen. Natuurlijk zegt een politieagent nooit: ik houd je aan omdat je een andere huidskleur hebt. Toch krijg je altijd het gevoel dat het de enige reden is. Die agent vroeg me ook nog: wat doe jij met een hockeystick? Ik zei geregeld: kom zondag naar de velden van Almere, dan kun je me zien hockeyen.


‘Met het team van Almere wilden we een club bezoeken en drie jongens van een andere etniciteit kwamen niet binnen. We kregen als reden dat alleen vaste klanten welkom waren. Ook die portier benoemde niet dat ik werd geweigerd vanwege mijn huidskleur. Wel toevallig dat alleen de drie bezoekers die er niet uitzagen als een witte Hollander niet naar binnen mochten.


Telkens word je op je ziel getrapt?

‘Het ergste is dat je ermee leert omgaan. Ik heb dat vooral met woordkeuzen of grapjes, die niet worden gemaakt om mij pijn te doen. Toch merk ik dan vooral hoe onwetend die persoon is en dat hij zich de lading van zijn woorden niet realiseert.


‘Op Hockey.nl vertelde hockeycoach Siegfried Aikman (van Surinaamse afkomst, red.) over de zogenaamde grapjes dat donkere jongens groot geschapen zijn. Die opmerkingen hoor ik nog steeds. Ik ga soms mee in dat vooroordeel, het is ook typische sporthumor. Ik had meer moeite met grappen van teamgenoten dat ik een gele kaart had gekregen, omdat ik zwart ben. Die doen wel pijn.’


Jij bent een zeldzaamheid in een witte sport.

‘Ik wil graag een rolmodel zijn, dat is het punt niet. Het mag alleen niet speciaal zijn dat ik hockey, omdat ik donker ben. Ook in het hockey ervaar ik racisme. Zelfs in de hoofdklasse roepen tegenstanders soms: ‘dek die zwarte’ of: ‘stop die neger af’.

‘Hockey noemt zichzelf divers, maar het betekent niet dat er geen racisme is. Ik speelde in de jeugd met Almere bij Gooische en ik maakte een overtreding op de zoon van een man met een rode sjaal. Ik ben hem nooit meer vergeten. Hij riep heel hard: scheids, die zwarte komt veel te wild in. Zeg dan: die jongen komt veel te hard in. Waarom meteen etnisch profileren?


‘Ik werd als speler van Almere tijdens een wedstrijd ooit voortdurend ‘Mowgli’ genoemd, telkens als ik de bal kreeg. Ik durfde er niks van te zeggen. Ik schrok zo dat ik verstijfde. Ook in het hockey ging het vooral om verhulde varianten van racisme. Kwam ik bij een club, zeiden mensen: oh, dat zie je niet vaak. Of als ik zei dat ik hockeyer was: jij? Doe jij aan hockey? Dacht ik: hoezo niet? Som wees iemand naar een voetbalveld en zei: jij moet daar zijn.’


Hoor je die kwetsende woorden ook bij het Nederlandse team?

Pieters, na een korte denkpauze: ‘Ja. Ik wil die jongens absoluut niet wegzetten als racisten. Soms hoorde ik spelers onderling praten en kwamen die woorden voorbij. Dan schrok ik, maar corrigeerde ik ze niet. Neger is in mijn ogen het meest denigrerende woord dat je kunt zeggen, zo werden zwarte slaven genoemd door witte slavenhandelaren.’


Jij hebt het racisme ook lang verzwegen?

‘Als mij in interviews werd gevraagd of ik racisme had meegemaakt, antwoordde ik ontkennend. Of ik mezelf daarmee verloochende? Ik wilde niet zielig gevonden worden. Ik voelde me ongemakkelijk, had vaak het idee dat het een vraag tussen neus en lippen door was.

‘Ik voelde een soort schaamte, zeker als ik zoiets deelde met iemand die onwetend was. En die me dan aankeek met een blik van: is dat racistisch? Dan slikte ik het maar weer in.’


Werd dat je geadviseerd door je ouders?

‘Als ik weer eens was uitgescholden was voor aap, zwarte of Zwarte Piet, vroeg ik aan mijn moeder: mama, wat maakt mij anders? Om me te beschermen antwoordde ze dan: schenk geen aandacht aan die mensen. Je bent zo mooi als je bent. Maar ze gaf me ook mee dat ik me nederig en beleefd moest gedragen. Indirect werden de vooroordelen alleen maar sterker.’


Was dat niet het beste bewijs van het institutionele racisme? Jij moest je aanpassen, niet de samenleving.

‘Mooi dat je het opmerkt. De keerzijde van die houding is dat het een minderwaardigheidscomplex creëert. Ik ben dus minder door mijn huidskleur. Ik word zo behandeld, omdat ik anders ben. Als ik ergens kom, ben ik me altijd bewust van de eerste indruk. Hoe kleed ik me?


‘Ik deed superbeleefd als ik werd aangehouden door de politie, terwijl ik van binnen kookte van woede omdat ik wist waarom. Maar ik wilde hun vooroordeel niet bevestigen. Geforceerd vermeed ik de stereotiepen, het was aanpassen om geaccepteerd te worden.’

Pieters heeft zich uitvoerig verdiept in zijn verleden. ‘Het helpt me om mijn identiteit te vinden.’ Schrijnend noemt hij de gebrekkige aandacht voor racisme in het onderwijs. ‘Ik kreeg nauwelijks les over de slavernij. Het begint bij het onderwijs om niet alleen de Gouden Eeuw te tonen, maar ook de donkere kant van de Nederlandse geschiedenis.’


Via zijn vader ontdekte hij het imperialistische verleden van Nederland als kolonisator. ‘Had ik ook niks over geleerd, mijn oma zat in het voormalige Nederlands-Indië vast in een Nederlands kamp. Mijn overgrootvader overleed in de vrijheidsstrijd tegen Nederland.

‘Bij een tentoonstelling in het Tropenmuseum zag ik met tranen in mijn ogen de achternaam van mijn moeder tussen vrijgemaakte slaven in 1863. Landbrug was één van wel 150 namen, de stamboom van mijn moeder eindigde op een slavenplantage. Die historie draag ik met me mee. De sporen blijven zichtbaar in de huidige maatschappij.’


Met zijn neef Marlon Landbrug, aanvaller van Pinoké en de zoon van de halfzus van zijn moeder, speelde Pieters enkele duels bij de Nederlandse ploeg. Hij laat twee foto’s zien in zijn telefoon. Marlon en Terrance als tieners tegen elkaar bij Almere-Pinoké. En tien jaar later, met rugnummers 20 en 38 in een oranje shirt in de Pro League tegen Nieuw-Zeeland. ‘We speelden altijd bij verschillende clubs. Nu bereikten twee jochies met een droom na een lange reis het Nederlandse team, de trots van onze moeders was onbetaalbaar.’


In het Tropenmuseum zag je ook waar Zwarte Piet vandaan kwam?

‘Ook bij ons thuis werd Sinterklaas gevierd, omdat mijn moeder me dat feest niet wilde onthouden. Maar al vanaf november begon de ellende. Liep ik over straat en hoorde ik een jongetje tegen zijn moeder zeggen: kijk, daar loopt Zwarte Piet.

‘Ik liep als speler van Almere net het veld af, toen Sinterklaas de club bezocht. En daar kwamen de opmerkingen weer: hé Terrance, jij hoeft je niet meer te schminken. Ik schrok vooral van de felle reacties op Facebook, ook van hockeyouders, over het afschaffen van Zwarte Piet. Blijf af van onze traditie. Of nog erger: rot op naar je eigen land. Ik ben geboren in Amsterdam, waar moet ik dan heen?’


Pieters citeert een gedicht van rapper en dichter Akwasi uit diens bundel Laten we het er maar niet meer over hebben. ‘Als het straks november is en langzaam december wordt, word ik decemberblind.’ Het illustreert ook mijn gevoel. Ook ik werd decemberblind als Sinterklaas naderde.


‘Ik durf te stellen dat je met meer kennis van de geschiedenis zult begrijpen, waarom Zwarte Piet echt niet meer kan. Hij is een karikatuur, Zwarte Piet is zelfs gekleed als een donkere slaaf.’


Nu accepteer je geen racisme meer.

Pieters: ‘Ik durf nu de confrontatie aan te gaan. Tijdens de training bij Kampong hoorde ik het woord neger voorbij komen. Ik zei onmiddellijk: wil je dat woord niet meer gebruiken? Diegene bood na de training zijn excuses aan en belde me later die avond. Hij had zich onvoldoende gerealiseerd hoe het op mij overkwam. ‘Ik ben blij dat je me gecorrigeerd hebt’. Het maakte me trots.


‘Voor mij was het de bevestiging dat ik niet langer moet zwijgen. En misschien geeft de huidige beweging tegen racisme donkere mensen de kracht om kwetsende grappen niet meer weg te lachen. Ook ik keek altijd naar de grond en deed of ik het niet had gehoord.

‘Het is klaar nu, dat heb ik ook tegen de internationals gezegd. Het gaat er niet om dat ik ze wil overtuigen of van iedereen een activist wil maken. Ik wil bewustwording creëren. Ze toonden veel begrip, opnieuw bleek dat Oranje een team is. Voor mij is het een bevrijding, ik denk dat we een barrière gaan overwinnen.’